| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1. Lucas schrijft aan Theofilus. Veel mensen hebben al geprobeerd op te schrijven wat er in onze tijd is gebeurd. Ik bedoel de dingen die we gehoord hebben van de mensen die er van het begin af aan zelf bij zijn geweest en die het evangelie zijn gaan verkondigen. Ik heb dat alles nog eens precies bekeken, en ik heb besloten het punt voor punt voor je op te schrijven in een boek. Dan zul je zien dat je de verhalen die je verteld zijn, kunt geloven. 2. Jezus kiest twaalf leerlingen uit In die tijd ging Jezus de berg op om te bidden. Heel de nacht door bad hij tot God. Bij het aanbreken van de dag riep zij zijn leerlingen bij zich. Hij koos er twaalf uit en noemde hen apostelen. Het waren: Simon, die hij ook Petrus noemde, en zijn broer Andreas, Jakobus ej Johannes, Filippus en Bartolomes, Matheus en Tomas, Jakobus de zoon van Alfes en Simon bijgenaamd de verzetsstrijder. Judas, de zoon van Jakobus en Judas Iskariot, die hem later verraden zou.
3. Twee leerlingen halen een veulen. Hierna reisde Jezus verder naar Jeruzalem. Onderweg kwam hij in de buurt van Betfage en Betani, twee dorpen op de helling van de Olijfberg. Daar stuurde Jezus twee van zijn leerlingen erop uit met de opdracht: Ga naar het dorp tegenover ons. Wanneer jullie dat dorp inlopen, zul je er een veulen vinden, vastgebonden. Er heeft nog nooit iemand opgezeten. Maak het los en breng het hierheen. En als iemand somt vraagt: Waarom maken jullie dat veulen los? dan moet je zeggen: De Heer heeft het nodig. De twee vertrokken en merkten dat alles precies klopte met wat Jezus gezegd had. En toen ze het veulen losmaakten, vroegen de eifenaars van het beest: Waarom kane jullie dat veulen los? De Heer heeft het nodig, antwoordden ze.
4. Jezus gaat Jeruzalem binnen. De leerlingen brachten het veulen naar Jezus toe, legden hun mantels op het dier en hielpen hem erop. En waar Jezus reed, legden ze hun mantels op de weg. Zo kwam hij op het punt waar de weg van de Olijfberg naar beneden gaat. Dat is vlak bij Jeruzalem. Al zijn leerlingen waren geweldig blij. Ze begonnen God te prijzen om alle geweldige dingen die ze meemaakten. Uit volle borst zongen ze: Daar komt onze koning. Gezegend is hij! Hij komt in naam van de Heer. Vrede in de hemel en alle eer aan God! Tussen al die mensen door liepen ook een paar farizeers. Die zeiden tegen Jezus: Rabi, zeg toch tegen uw leerlingen dat ze daarmee ophouden! Maar hij antwoordde: Heus, als ij hun mond houden, dan zullen de stenen het wel uitroepen.
5. Jezus in de tempel 1. Nog dichter kwam Jezus bij Jeruzalem. Toen hij de stad zag leggen, begon hij te huilen. Ach Jeruzalem, zei hij, als ook jij op deze grote dag eens zou inzien hoe je de vrede kunt vinden... Maar jammer genoeg, je ziet het niet. Want jij zult het meemakendat je vijanden je zullen belegeren, omsingelen en van alle kanten insluiten. Dan zullen ze jou met je inwoners van de aarde laten verdwijnen en alles met de grond gelijkmaken. En dat gebeurt allemaal omdat je niet inziet dat God je in deze tijd wil redden.
5. Jezus in de tempel 2. Daarna ging Jezus de tempel binnen en begon de kooplui weg te jagen. Hij zei tegen hen: Er staat toch in de heilige boeken: Mijn huis moet een huis zijn waar de mensen bidden. Maar jullie hebben er een rovershol van gemnaakt. Elke dag vertelde Jezus aan de leerlingen in de tempel wat God van ze wilde, De hogepriesters en de schriftgeleerden en ook de leiders van het volk wilden hem uit de weg ruimen. Maar ze wisten niet hoe ze dit moesten anpakken omdat het hele volk voortdurend naar hem zat te luisteren.
6. Het plan om Jezus gevangen te nemen. Enkele dagen gaan voorbij... Het was kort voor het pesach, het paasfeest van de Joden. Ze eten dan brood waar geen gist in zit. Nog steeds zochten de hogepriesters en de schriftgeleerden naar een slimme manier om Jezus uit de weg te ruimen. Want ze waren bang voor het volk. Toen naam de satan bezit van Judas Iskariot, een van de twaalf leerlingen. Judas ging naar de hogepriesters en de tempelpolitie om te bespreken hoe ze Judas het beste gevangen konden nemen. Ze waren daar blij mee en spraken af dat ze hem geld zouden geven. Judas vond dat goed. En vanaf dat moment was hij op zoek naar een goede gelegenheid om Jezus aan hen uit te leveren zonder dat de mensen het zouden merken.
7. De paasmaaltijd wordt gereed gemaakt. Toen kwam de eerste dag van het feest. Op die dag moet het paaslam worden geslacht. Jezus stuurde Petrus en Johannes erop uit met de opdracht: Ga de paasmaaltijd voor ons klaarmaken. Waar moeten we dat doen? vroegen ze. Luister goed, antwoordde Jezus. Als jullie de stad binnengaan, zul je een man ontmoeten met een kruik water. Die man moeten jullie volgen. En waar hij naar binnen gaat, moeten jullie ook binmnengaan. Zeg dan tegen de bewoner van dat huis: Onze leraar wil weten waar de kamer is waar hij met ons de paasmaaltijd kan houden. En dan zal die man jullie op de bovenverdieping een grote kamer laten zien die al is ingericht. Daar moeten jullie de paasmaaltijd klaarmaken. De twee vertrokken en merkten dat alles precies was, zoals Jezus gezegd had. Zo maakten ze de paasmaaltijd klaar.
8. Jezus en zijn leerlingen vieren het paasfeest. Toen het moment voor de maaltijd gekomen was, ging Jezus met de apostelen aan de tafel. Wat heb ik er naar verlangd, zei Jezus, om dit paasfeest met jullie te vierenvoordat mijn lijden begint. Want dit zeg ik jullie: Ik vier dit feestmaal pas wanneer het volop feest zal zijn in het koninkrijk van God.
Daarna pakte hij een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood in stukken en gaf het hun. Hij zei: Dit is mijn lichaam dat voor jullie geofferd wordt. Houd deze maaltijd steeds weer om aan mij te blijven denken.
Toen pakte hij een beker wijn, sprak het dankgebed uit en zei: Hier, neem deze beker en geef die aan elkaar door. Want ik zeg jullie: Ik zal pas weer van de wijn drinken wanneer het koninkrijk van God komt. De wijn in deze beker is mijn bloed, dzt voor jullie vergoten wordt. Daarmee wordt het nieuwe verbond gesloten. En, sprak Jezus verder, de man die mij verraden zal, zit hier met mij aan tafel. En dat moet ook, want ik, de Mensenzoon, zal sterven zoals God het bepaald heeft. Maar met die man die mij zal verraden, zal het slecht aflopen. Toen begonnen de leerlingen aan elkaar te vragen wie van hen zoiets van plan zou zijn. Daarna zei Jezus tegen Simon Petrus: Simon, Simon pas op! De satan heeft toestemming gevraagd om jullie op de proef te stellen. Om jullie als tarwe in een zeef te schudde. Maar ik heb voor jullie gebeden dat je zult blijven geloven. En wanneer je laten tot inkeer bent gekomen, spreek jij dan de andere leerlingen moed in. Heer, zei Petrus toen, ik sta klaar om met u de gevangenis in te gaan, ja zelfs om met u te sterven. Maar Jezus antwoordde: Petrus, neem van mij aan, vannacht nog, voordat er een haan kraait, zul je drie keer zeggen dat je mij niet kent.
9. Jezus en zijn leerlingen gaan naar de Olijfberg. Hierna verliet Jezus de stad en ging zoals altijd naar de Olijfberg. Zijn leerlingen volgden hem. Toen hij daar was zei hij tegen hen: Bid dat je niet in de verleiding komt. Hij liep een eindje bij hen vandaan, knielde neer en bad: Vader, laat mij alstublieft dit lijden niet doormaken. Maar ook al vraag ik u dit, u moet niet doen wat ik wil, maar wat u wilt. En er kwam een engel uit de hemel die hem kracht gaf. Hij werd doodsbang en bad nog vuriger. Het zweet viel als bloeddruppels van zijn gezicht op de grond. Toen hij klaar was met bidden, stond hij op en ging naar zijn leerlingen toe. Hij zag dat ze sliepen, want ze konden van verdriet niet meer wakker blijven. Hij zei: Slapen jullie? Hoe is het mogelijk! Sta op en bid dat je niet in de verleiding komt.
10. Jezus wordt gevangen genomen. Hij was nog niet uitgesproken of er kwam een hele groep mensen aan. Judas, een van de twaalf leerlingen, liep voorop. Hij kwam op Jezus toe om hem een kus te geven. Maar Jezus zei: Judas, verraad je mij, de Mensenzoon, met een kus? De leerlingen begrepen wat er ging gebeuren en vroegen: Heer, zullen we er met het zwaard op los slaan? Een van hen raakte de slaaf van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af. Maar Jezus antwoordde: Laat dat! En hij nam het oor van de man en bracht het weer op zijn plaats terug. Bij de mensen die op Jezus waren afgekomen, waren ook de hogepriesters met de tempelpolitie en de joodse leiders. Tegen hen zei Jezus: Wat hebben jullie veel zwaarden en stokken bij je. Het lijkt wel of jullie een rover gaan oppakken! En toen ik dag in dag uit bij jullie in de tempel was, hebben jullie me met geen vinger aangeraakt. Maar nu is dan het moment gekomen waarop jullie zo lang hebben gewacht. Nu laat de duisternis zien hoe groot zijn macht is. Ze grepen Jezus vast, namen hem eee naar Jeruzalem, en brachten hem het huis van de hogepriester binnen.
11. Petrus zegt dat hij Jezus niet kent. Petrus volgde op een afstand. Ze maakten een vuur op de binnenplaats en gingen er omheen zitten. Petrus zat tussen hen in. Bij het licht van het vuur zag een dienstmeisje hem zitten. Ze keek hem eens goed aan en zei: Die man was ook bij Jezus! Maar Petrus zei: Mens, ik ken hem niet eens. Na een poosje zag iemand anders Petrus en zei: Ja, hij hoort ook bij die mensen! Maar Petrus zei: Welnee, man.
11. Petrus zegt dat hij Jezus niet kent. Ongeveer een uur later zei weer iemand anders: Ja, echt waar, ik weet het heel zeker, die man was ook bij Jezus! Trouwens, hij komt ook uit Galilea. Maar Petrus zei: Man, ik begrijp niet waar je het over hebt! Hij had het nog maar net gezegd, of er begon een haan te kraaien. De Heer draaide zich om en keek Petrus aan. Toen herinnerde Petrus zich dat de Heer tegen hem had gezegd: Voordat morgenvroeg de haan kraait, zul je drie keer zeggen dat je mij niet kent. Hij liep naar buiten en begon wanhopig te huilen.
12. Jezus voor de Hoge Raad. De mensen die Jezus vasthielden, lachten hem uit en sloegen hem. Ook deden ze hem een blinddoek voor en zeiden: Raad eens, profeet, wie je een stomp gegeven heeft! En zo beledigden ze hem op alle mogelijke manieren. De volgende morgen kwamen de leden van de Hoge Raad bij elkaar. In die raad zitten ook hogepriesters en schriftgeleerden. Ze lieten Jezus in hun vergaderzaal brengen en vroegen hem: Als u de Messias bent, zeg het ons dan! Maar Jezus antwoordde: Als ik ja zeg, gelooft u het niet. En als ik u iets vraag, geeft u geen antwoord. Maar dit moet u weten: Van nu af aan zal ik, de Mensenzoon, zitten aan de rechterhand van de almachtige God. U bent dus de Zoon van God? vroegen ze alle,aal. Als u het zegt, zal het wel zo zijn, antwoordde Jezus. Toen zeiden ze: Waarom zouden we er nog getuigen bijhalen? We hebben het hem toch zelf horen zeggen!
13. Van Pilatus naar Herodus. Ze stonden allemaal op en brachten Jezus voor Pilatus, de Romeinse stadhouder. Ze begonnen hem te beschuldigen en zeiden: We hebben vastgesteld dat deze man ons volk opstookt. Want hij zegt dat je geen belasting moet betalen aan de keizer van Rome. Hij zegt dat hij de Messias, onze koning, is. Pilatus vroeg aan Jezus: Bent u echt de koning van de Joden? U zegt het maar, antwoordde Jezus. Toen het verhoor afgelopen was, zei Pilatus tegen de hogepriesters en alle andere mensen die erbij waren: Volgens mij is deze man volkomen onschuldig. Maar ze bleven steeds maar zeggen: Deze man hitst het volk op door wat hij hun leert. Eerst in Galilea, toen overal in Judea. En nu hier in Jeruzalem. Pilatus hoorde dat en vroeg: Komt die man dan uit Galilea? Ze vertelden hem dat dat inderdaad zo was. Toen stuurde hij Jezus naar Herodus, die op dat moment ook in Jeruzalem was. Want in Galilea had Herodus het voor het zeggen. Herodus was erg blij dat hij Jezus te zien kreeg. Hij had dat al langer gewild, want hij had veel over hem gehoord. En hij hoopte nog eens mee te maken, dat Jezus een wonder deed. Hij ondervroeg Jezus uitvoerig, maar die gaf nergens antwoord op. Ondertussen stonden de hogepriesters en de schriftgeleerden Jezus heftig te beschuldigen. Herodus vernederde Jezus en maakte hem belachelijk. Zijn soldaten deden eraan mee. Toen deed hij Jezus een koningsmantel om en stuurde hem naar Pilatus terug. Op diezelfde dag werden Herodus en Pilatus vrienden.
14. Weer terug naar Pilatus. Pilatus riep de hogepriesters, de joodse leiders en het volk bij elkaar. Hij zei: Luister. Jullie hebben die man naar mij toegebracht, omdat hij volgens jullie het volk opstandig maakt. En ik heb hem ook nog verhoord waar jullie zelf bij waren. Maar volgens mij is hij niet schuldig aan de dingen die jullie van hem zeggen. Ook Herodus denkt er zo over. Want hij heeft hem naar ons teruggestuurd. Heus, die man heeft niets gedaan waarvoor hij de doodstraf verdient. Ik zal hem daarom laten geselen en daarna vrijlaten. Maar ze schreeuwden allemaal: Weg met hem! Laat Barabbas vrij! Die Barabbas was iemand die in de gevangenis gestopt was omdat hij in de stad aan een rel had meegedaan en iemand had doodgeslagen. Pilatus sprak de menigte opnieuw toe, want hij wilde Jezus vrijlaten. Maar ze riepen terug: Aan het kruis met hem! Aan het kruis met hem! Toen probeerde Pilatus het nog een keer. Maar wat voor kwaad heeft die man dan toch gedaan? Volgens mij heeft hij niets gedaan waar je de doodstraf voor krijgt. Ik zal hem dus laten geselen en dan vrijlaten. Maar zij bleven schreeuwen dat hij aan het kruis gehangen moest worden. En door dat geschreeuw kregen ze hun zin. Pilatus besloot te doen wat ze vroegen. Hij liet Barabbas los, de man die bij die rel iemand had doodgeslagen. En met Jezus liet hij doen wat zij wilden.
15. Jezus op weg naar Golgota. Toen brachten ze Jezus weg. Onderweg hielden ze een man aan die net de stad inkwam. Het was Simon van Cyrene. Ze legden de kruisbalk op zijn rug en zeiden dat hij die achter Jezus aan moest dragen. Heel veel mensen liepen met Jezus mee. Er waren ook vrouwen bij, die om hem huilden en jammerden. Mar Jezus draaide zich om en zei: Vrouwen van Jeruzalem, huil niet om mij. Je kunt beter om jezelf huilen en om je kinderen. Want luister goed, er komt een tijd aan dat de mensen zullen zeggen: Gelukkig zijn de onvruchtbare vrouwen, die nooit een kind hebben gekregen en nooit een kind aan de borst hebben gehad. Ja, dan zullen de mensen zeggen: Laten de bergen op ons neervallen. Laten de heuvels ons bedekken! Want als ze dit doen met een levende boom, zoals ik, wat zullen ze dan wel niet doen met dode bomen, zoals jullie? Tegelijk met Jezus brachten ze twee misdadigers weg, die ook de doodstraf hadden gekregen.
16. Jezus gekruisigd. Zo kwamen ze bij de plaats die Schedel heet. Daar hingen ze Jezus aan het kruis. En ook de beide misdadigers, de een rechts en de ander links van hem. Jezus zei: Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen. Intussen verlootten ze zijn kleren onder elkaar. Het volk stond toe te kijken. De leiders van het volk maakten allerlei spottende opmerkingen zoals: Anderen heeft hij gered. Laat hij dan nu zichzelf redden, als hij echt de Messias van God is! Ook de soldaten kwamen bij het kruis en maakten hem belachelijk. Ze hten hem zure wijn en zeiden: Als jij de koning van de Joden bent, red dan jezelf! Boven Jezus hing een bord, waarop stond: Dit is de koning van de Joden. Een van de misdadigers die naast hem aan het kruis hing, beledigde hem. Jij bent de Messias? zei hij. Red dan jezelf en ons erbij. Maar de ander zei tegen hem: Hou je mond. Heb je dan helemnaal geen eerbied voor God, terwijl je dezelfde straf krijgt? Dat ze ons straffen is eerlijk. Want wij krijgen wat we verdienen. Maar hij heeft niets verkeerds gedaan. En tegen Jezus zei hij: Denk aan mij wanneer u kong wordt. Daarop antwoordde Jezus hem: Ik zeg je: vandaag nog zul je bij mij in het paradijs zijn.
17. Jezus sterft. Om ongeveer twaalf uur kwam er een zonsverduisering en werd het donker in het hele land. Dat duurde tot drie uur in de middag.
17. Jezus sterft. En het gordijn in de tempel scheurde doormidden.
17. Jezus sterft. Toen riep Jezus luid: Vader, ik vertrouwe me aan u toe. Dit waren zijn laatste woorden. Zo stierf hij. De Romeinse officier die de leiding had, zag wat er gebeurde en prees God. Hij zei: Deze man was werkelijk onschuldig. Veel mensen waren komen kijken. Toen ze gezien hadden wat er gebeurd was, gingen ze heel verdrietig naar huis terug. Alle vrienden van Jezus stonden op een afstand toe te kijken. Ook de vrouwen die met Jezus waren meegekomen uit Galilea.
18. Jezus wordt begraven. Nu was er een zekere Jozef, een lid van de Hoge Raad. Hij kwam uit de joodse stad Arimatea. Hij was een goed en rechtvaardig mens, die uitkeek naar het koninkrijk van God. Hij was het dan ook niet eens geweest met wat de anderen hadden besloten en gedaan. Deze Jozef ging naar Pilatus toe en vroeg hem om het lichaam van Jezus.
18. Jezus wordt begraven. Hij haalde het van het kruis af en deed er een linnen doek omheen. Daarna legde hij Jezus in een graf, dat in de rotsen was uitgehakt. In dit graf had nog nooit iemand gelegen.
18. Jezus wordt begraven. De dag waarop de Joden zich voorbereiden op de sabbat, was toen bijna om. De sabbat zou al gauw beginnen. De vrouwen die met Jezus meegekomen waren uit Galilea, waren Jozef gevolgd. Zo zagen ze waar het graf was en hoe hij het lichaam van Jezus erin legde. Daarna gingen ze terug om zalf en olie klaar te maken. Op sabbat werkten ze niet, zoals de wet dat voorschrijft.
19. De vrouwen bij het graf. Maar op de eerste dag van de week gingen de vrouwen al heel vroeg naar het graf toe met de zalf die ze hadden klaargemaakt. Ze zagen dat de steen van het graf was weggerold en gingen naar binnen, maar vonden het lichaam van de Heer Jezus niet. Ze wisten niet wat ze moesten denken. Ineens stonden er twee mannen met blinkend witte kleren. De vrouwen schrokken zo erg dat ze niet durfden op te kijken. Toen zeiden die mannen tegen hen: Waarom zoeken jullie bij dode mensen iemand die leeft? Hij is hier niet. Hij is opgewekt ui de dood. Denk maar eens terug aan wat hij tegen jullie gezegd heeft toen hij nog in Lalilea was: Ik, de Mensenzoon, moet in de handen van slechte mensen vallen. Ik zal aan het kruis gehangen worden, maar op de derde dag zal ik opstaan. Teon herinnerden de vrouwen zich wat Jezus gezegd had. Ze gingen bij het garaf weg en vertelden dit alles aan de elf leerlingen en aan alle anderen. Die vrouwen waren Maria van Magdalena, Johanna, en Maria, de moeder van Jakobus, met nog een paar anderen. De apostelen vonden hun verhaal maar onzin. Ze geloofden er niets van. Maar Petrus stond op en liep snel naar het graf. Toen hij zich bukte om naar binnen te kijken, zag hij inderdaad alleen de doeken liggen. Hij ging weg en vroeg zich verbaasd af wat er gebeurd kon zijn.
20. Twee mannen op weg naar Emmaus. Nu waren juist op die dag twee volgelingen van Jezus onderweg naar het dorp Emmaus. Dat dorp ligt een paar uur lopen van Jezuzalem. Ze spraken met elkaar over wat er allemaal gebeurd was. Toen ze zo liepen te praten en tegen elkaar zeiden wat ze ervan vonden, haalde iemand ze in en liep me ze mee. Het was Jezus zelf. Ze zagen hem wel, maar op de een of andere manier konden ze hem niet herkennen. Jezus vroeg: Waar loopt u toch zo over te praten? Met een somber gezicht bleven ze staan. Een van hen, die Kleopas heette, antwoordde: Bent u dan de enige in Jeruzalem die niet weet wat daar de laatste dagen gebeurd is? Wat dan? vroeg Jezus. Nou, we bedoelen wat er is gebeurd met Jezus van Nazareth. Dat was nog eens een profeet. Die kon wat! Die moest je horen! Een machtig profeet voor God en voor het hele volk. Maar onze hogepriesters en de leiders van ons volk hebben hem door de Romeinen ter dood laten veroordelen. En die hebben hem aan het kruis opgehangen. We hoopten nog zo dat hij het was die Israel zou bevrijden! Maar ach, al met al is het alweer twee dagen geleden dat dit gebeurd is. Wel hebben een paar vrouwen die bij ons horen, ons in verwarring gebracht. Vanochtend vroeg waren ze bij het graf maar vonden zijn lichaam niet. Ze kwamen ons zelfs vertellen dat ze engelen hadden gezien, die zeiden dat hij leeft. Een paar van onze mensen zijn toen naar het graf gegaan. Ze merkten dat het precies zo was als die vrouwen vertelden. Maar hemzelf hebben ze niet gezien.
21. Jezus bezoekt zijn leerlingen. Toen vertelden ook Leopas en zijn vriend wat ze onderweg haden meegemaakt en hoe ze Jezus herkend hadden toen hij het brood brak. Terwijl ze nog spraken, was Jezus ineens bij hen. Vrede! zei hij. Ze schrokken en werden bang. Want ze dachten dat ze een spook zagen. Waarom schrikken jullie zo? vroeg Jezus. Waarom twijfelen jullie of ik het wel ben? Kijk maar eens naar mijn handen en mijn voeten. Zie je nu wel dat ik het zelf ben? Raak mij maar aan, en kijk maar. Je ziet toch dat ik een lichaam heb. Een spook heeft dat toch niet. En hij liet hun zijn handen en voeten zien. Maar van blijdschap konden ze het niet geloven. Ze bleven verbaasd staan kijken. Daarom vroeg Jezus: Hebben jullie hier ook iets te eten? Ze gaven hem een stuk gebakken vis. Hij pakte het aan en at het op waar ze bij waren. Hij zei tegen hen: Dit is nu wat ik jullie gezegd hen toen ik nog bij jullie was. Alles wat er over mij staat geschreven in de wet van Mozes, bij de profeten en in de psalmen, moet gebeuren. Teoen legde hij hun de heilige boeken uit zodat ze het begrepen. Hij zei: Dit staat daarin geschreven: De Messias moet lijden, en op de derde dag uit de dood opstaan. En in zijn naam moeten alle volken opgeroepen worden om een nieuw leven te beginnen. Dan zal God ze vergeven wat ze verkeerd hebben gedaan. Bij Jeruzalem moet dat beginnen. En jullie hebben dit allemaal meegemaakt, en zullen hierover spreken. Luister goed, ik stuur jullie wat mijn Vader beloofd heeft. Blijf dus in Jeruzalem tot je kracht uit de hemel ontvangt.
22. Jezus gaat naar de hemel. Toen nam Jezus hen mee naar de stad Betani. Hij strekte zijn armen uit en zegende hen. Zo ging hen bij hen vandaan, naar de hemel. Zij knielden voor hem neer en gingen toen heel blij terug naar Jeruzalem. Daar waren ze voortdurend in de tempel om God te prijzen.
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||